Ga naar inhoud

Actueel

De toekomst van medezeggenschap: wat de vakbeweging ons leert

16 oktober 2025

Het recht op medezeggenschap is een van de belangrijkste verworvenheden van de Nederlandse vakbeweging. Vanaf het moment dat Henri Polak in 1894 de Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond oprichtte, stond het idee centraal dat werknemers invloed moesten hebben op hun eigen arbeidsomstandigheden. Ruim honderd jaar later is die gedachte verankerd in wet- en regelgeving, maar staat de praktijk onder druk. De Federatie Nederlandse Vakbeweging constateert dat het voor steeds meer werkenden lastig is om hun stem te laten horen op de werkvloer.

De veranderingen op de arbeidsmarkt van de afgelopen decennia zijn ingrijpend. Het klassieke model van vaste dienstverbanden, waarop het stelsel van collectieve arbeidsovereenkomsten en ondernemingsraden is gebouwd, wordt steeds minder vanzelfsprekend. Flexcontracten, zzp-constructies en platformwerk creƫren een groeiende groep werkenden die buiten de traditionele structuren van medezeggenschap valt.

Voor het Henri Polakinstituut, dat vanuit De Burcht onderzoek doet naar de positie en betekenis van de vakbeweging, zijn deze ontwikkelingen aanleiding om de vraag te stellen: hoe kan medezeggenschap worden vernieuwd zonder de fundamenten te verliezen die in meer dan een eeuw zijn opgebouwd?

De wortels van werknemersinvloed

Het verhaal van de georganiseerde medezeggenschap begint in de negentiende eeuw, toen arbeiders voor het eerst collectief optraden tegen de willekeur van werkgevers. De diamantbewerkers in Amsterdam speelden daarin een voortrekkersrol. Onder leiding van Polak organiseerden zij zich niet alleen voor betere lonen, maar ook voor een eerlijker verdeling van de beslissingsmacht binnen de werkplaats.

Het gebouw aan de Henri Polaklaan, De Burcht, werd in 1900 geopend als het fysieke bewijs van die ambitie. Het was meer dan een vergaderruimte: het was een statement dat arbeiders recht hadden op waardigheid, schoonheid en een stem in hun eigen bestaan.

De Wet op de Ondernemingsraden, die in 1950 voor het eerst werd ingevoerd en in 1979 fundamenteel werd herzien, gaf werknemers een formeel kanaal voor medezeggenschap. Het instemmingsrecht en het adviesrecht werden de pijlers van een systeem dat internationaal als voorbeeld geldt.

Uitdagingen in een veranderende arbeidsmarkt

De klassieke ondernemingsraad functioneert het beste in organisaties met een stabiel personeelsbestand. Maar in sectoren waar flexwerk dominant is, ontbreekt vaak de kritische massa voor een OR. In Nederland heeft naar schatting een op de drie bedrijven die verplicht een ondernemingsraad zouden moeten hebben, die niet ingesteld.

De platformeconomie brengt een extra complicatie met zich mee. Bezorgers, chauffeurs en andere platformwerkers worden vaak als zelfstandige beschouwd, waardoor zij buiten het bereik vallen van zowel de Wet op de Ondernemingsraden als de meeste collectieve arbeidsovereenkomsten. De vraag of deze werkenden als werknemer of als ondernemer moeten worden beschouwd, is een van de meest besproken juridische kwesties van dit moment.

Tegelijkertijd verandert technologie de aard van het werk zelf. Algoritmisch management, waarin software bepaalt welke taken worden uitgevoerd en hoe prestaties worden beoordeeld, roept nieuwe vragen op over transparantie en inspraak. Op welke manier kunnen werknemers invloed uitoefenen op beslissingen die door een algoritme worden genomen?

Lessen uit het verleden

De geschiedenis van de vakbeweging leert dat vernieuwing van medezeggenschap altijd een antwoord is geweest op veranderende omstandigheden. Toen de industrialisatie de ambachtelijke werkplaats verving, ontstonden de eerste vakbonden. Toen de naoorlogse wederopbouw een nieuw sociaal contract vereiste, werd het poldermodel geboren. Telkens bleek het vermogen om bestaande structuren aan te passen aan nieuwe realiteiten doorslaggevend.

Het Henri Polakinstituut onderzoekt hoe deze historische ervaringen kunnen worden vertaald naar hedendaagse oplossingen. Daarbij wordt gekeken naar internationale voorbeelden, naar experimenten met digitale vormen van medezeggenschap, en naar de mogelijkheden om het bereik van ondernemingsraden te vergroten.

De OR Academie van De Burcht speelt daarin een rol door ondernemingsraadleden niet alleen te trainen in de bestaande wet- en regelgeving, maar ook voor te bereiden op de uitdagingen die de toekomst brengt. Het vermogen om in gesprek te blijven met werkgevers, ook wanneer de omstandigheden veranderen, is daarbij een kerncompetentie.

Henri Polak schreef ooit dat de kracht van de vakbeweging niet lag in het aantal leden alleen, maar in de kwaliteit van hun betrokkenheid. Die gedachte blijft actueel. In een arbeidsmarkt die steeds diverser wordt, is het de uitdaging om vormen van medezeggenschap te ontwikkelen die aansluiten bij de werkelijkheid van alle werkenden, niet alleen van degenen met een vast contract.